uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

Meerdervoort

Opheffing : 1855 Zwijndrecht
Toevoegingen :
De gemeente voerde geen eigen wapen. 
Als wapen voor Meerdervoort geeft Regt (1848) een veld van keel, waarop drie schuinbalken van zilver, waaroverheen een leuw van zilver, geklauwd van goud. Dit wapen zou afkomstig zijn van Claes van Meerdervoort. In het manuscript Beelaerts van Blokland (18e eeuw) wordt echter een geheel ander wapen genoemd, namelijk doorsneden: I in keel een gaande leeuw van zilver en II in keel drie palen van zilver. Over de oorsprong van dit laatste wapen is niets bekend. 
De bedijking van de Zwijndrechtse waard werd in 1331 in gang gezet door Hendrik van Brederode. Hij bepaalde dat iedereen die meer dan 1/16 aandeel van de kosten van de nieuwe waard voor zijn rekening zou nemen, deze de titel Ambachtsheer van een gedeelte van de waard zou krijgen. Hierop besloot een achttal personen de bedijking te financieren. Zij kregen daarop allen 1/8 deel van de waard in leen. Deze 8 personen waren: Heer Schobbeland van Zevenbergen, die het gebied rond het huidige Zwijndrecht verkreeg; N van de Lindt, naar wie de Groote en Kleine Lindt zijn genoemd; Heer Oudeland, naar wie Heeroudelands Ambacht is genoemd; Jan van Roozendaal, die Heerjansdam verkreeg; Daniel en Arnold van Kijfhoek; Claes van Meerdervoort; Adriaan van Sandelingen, die Sandelingen Ambacht verkreeg en tenslotte Zeger van Kijfhoek, wiens zoon Hendrik Ido ambachtsheer werd. 
De familie Van Meerdervoort bleef tot 1551 in het bezit van de heerlijkheid.

Het gehucht Meerdervoort stond verder bekend om zijn herberg De Steenen Kamer, waar ook het gemeentebestuur van Meerdervoort alsmede het dijkscollege van de Zwijndrechtse Waard vergaderde. Deze stond bekend als "alleraangenaamst gelegen en als uitspanningsoord gunstig bekend". Er lag tevens een "welbezocht veer voor voetgangers over de Oude Maas op Dordrecht". Ook was er een kolfbaan.
De kinderen van het gehucht gingen naar school in Zwijndrecht of Groote Lindt.
Na invoering van de Gemeentewet werden vele kleine gemeenten gecombineerd, hetgeen het einde betekende van de zelfstandige gemeente Meerdervoort: bij wet van 17 juli 1855 werden Zwijndrecht en Meerdervoort samengevoegd onder de naam Zwijndrecht.

Meerdervoort bestaat al sinds 1331.
In 1732 stonden er 67 huizen en twee zaagmolens. In 1848 waren dat 54 woningen, bewoond door 84 gezinnen, een bevolking van 400 zielen die, op 15 Rooms-katholieken na, allen tot de Hervormde Kerk behoorden.
Kerkelijk viel Meerdervoort onder Zwijndrecht.
De kinderen van het gehucht gingen naar school in Zwijndrecht of Groote Lindt.
Van Ollefen schrijft in zijn stads- en dorpsbeschrijver uit 1795 over de inwoners: "Over ´t algemeen zijn de bewooners van Meerdervoort, Schildemans Kinderen ambacht, maar voornaamlijk die van Zwijndrecht, liefhebbers van eene rijke kleederdracht, en versieringen met goud en zilver, op de wijze der oude Hollanders, gelijk zij dan ook nog oud-vaderlandsche beurzen hebben, naamlijk zulken waarin bestendig meer inkomt dan er uit gaat; inderdaad deeze lieden zijn, wat die eigenschap hunner beurzen betreft, wel drie Vaderlandsche modes ten achteren, in welke achterlijkheid de goede God hun sterke, en veele navolgers geeve."

In 1786 en 1787 werd vooral Meerdervoort druk bezocht door de Waardbewoners, vanwege het "manoevreren des Genootschaps van wapenhandel", dat ruim 130 man sterk was. Dit gecombineerde genootschap was zeer bedreven, en de Jonkvrouw van Meerdervoort stond het genootschap toe op haar buitenplaats te oefenen. De belangstelling was soms zo groot dat bij een dergelijke gelegenheid "de geheele dorpsvoorraad van verversing opgebruikt werd, strekkende deezen ongemeenen toevloed niet weinig tot verlevendiging van dit Ambacht". Na het vuren trok het genootschap met slaande trom over Zwijndrecht naar Schildmanskinderenambacht waar ze door de schout voor hun ijver en oplettendheid werden bedankt.

Op 28-8-1785 verkoopt Frederik Broeksmit aan Klaas Broeksmit de helft in de windzaagmolen Rietvink voor hfl. 5300,-. Op 3 mei 1804 transfeert Klaas Broeksmit aan Jan Broeksmit de helft van de zaagmolen voor Hfl. 7531,-. Deze Jan Broeksmit wordt in 1817 lid van de gemeenteraad van Meerdervoort.


In december 1817 mogen Zwijndrecht, Hendrik Ido Oostendam, Schildmanskinderen Ambacht en Meerdervoort gezamenlijk een diender aanstellen. De veldwachter, Pieter Blommers, verdient Hfl. 208,- per jaar. Hij vervult deze functie tot zijn dood in 1831.
Zijn opvolger is Cornelis Vryenhoek uit Hendrik-Ido-Ambacht, en hij wordt veldwachter van Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht en Meerdervoort.

1820: 298 zielen, volgerland 91 zielen, totaal 389

Wanneer er op 13 mei 1824 verkiezingen voor de provinciale staten zijn, worden er in het 19e district 65 stemmen uitgebracht. Aangezien er nog geen algemeen kiesrecht bestond en vrouwen nog geen stemrecht hadden, is het aantal kiesgerechtigden naar onze begrippen vrij klein.
De uitslag luidde als volgt: Van Brienen (jonkheer Willem Joseph) (ambachtsheer van Groote Lindt) 3 stemmen – den Braanker, Johannes, 2 – Drinkwaard, Pieter, 1 – Van Dijk, Jan (ambachtsheer van H.O.A.), 3 – Van Eek, Willem, 3 – van der Giessen, Simon, 2 – Van der Geer, Pieter, 5 – Van Gilst, Frans, 5 – Van ´t Hoff, Jacob (burgemeester H.O.A.), 5 – Huyser, Pieter, 5 – Kievit, Joris, 3 – Van der Linden, Jan, 3 – Leeuwenburg, Jan, 2 – Leeuwenburg, Huig Jzn., 3 – Nibbelink, Dirk Willem (burgemeester van Meerdervoort en notaris), 6 – Pompe van Meerdervoort, Abraham (ambachtsheer van Meerdervoort), 4 – Van der Poel, Jan, 5 – Repelaar van Spijkenisse, Jonkheer Paulus, 1 – Stehouwer, Arie, 4.

In 1828 wordt het Volgerland van Meerdervoort gevoegd bij de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht.

In februari 1835 vraagt de gemeente Dordrecht inlichtingen over de bedelaar Arnoldus Janssens, die uit de gevangenis ontslagen niet op vrije voeten moest gesteld, doch naar een bedelaarskolonie had behoren te worden overgebracht. Thans zou hij zich ophouden bij de zogenaamde broederschap van Stoffel Muller.

In 1848 heerst cholera. Zo raakt op 11 december 1848 de dochter van Willem Vos besmet. Het armbestuur verstrekte een kaffenbed alsmede dekens etc.. De volgende dag is ook de tweede dochter besmet. Beide lijderessen bezwijken de 15e. Voor de begrafenissen zal worden gezorgd.
Twee weken later overlijdt ook de oudste zoon.

In september 1850 wordt er langs de huizen een collecte gehouden ten bate van schipper Willem de Vos, wiens schip is gezonken.




Het wapen van Meerdervoort is een zilveren leeuw, lopende door een rood veld over drie neergaande zilveren schuinbalken waar overheen een leeuw van zilver, geklauwd van goud. Dit wapen zou afkomstig zijn van Claes van Meerdervoort.
De familie Van Meerdervoort bleef tot 1551 in het bezit van de heerlijkheid.
Meerdervoort voerde als gemeente blijkbaar geen eigen wapen.


Ambachtsheren en –vrouwen
tot:
1338 Claes van Meerdervoort. Stichter van de voormalige ridderlijke hofstede Meerdervoort
1400 Adriaen van Meerdervoort, Claesz. Van hem wordt gemeld, in een brief van St. Catharinusdag 1400, dat hij bezat "de edele Houve van Meerdervoort, met der hofsteden, singels, grachten en ruigten, benevens de renten en zwaandrift aldaar".
1430 Robbert van Drongelen, Jansz., welke volgens de inhoud van een brief van 14 augustus 1430 bezat "de Edele Houve van Meerdervoort, met de hofstede, singels en grachten, alsmede de renten, de zwaandrift en heerlijkheid daarvan". Ook bezat hij "het Kort-Ambacht te verheergewaden met eenen rooden sperwer, als ´t verschijnt".
1490 Claes van Meerdervoort, die door het overlijden van zijn oud-oom Pieter Abels, burgemeester van Dordrecht, ook al verleid was met het half Ambacht van Puttershoek. Hij was gehuwd met Cunera van Drenckwaert.
1523 Adriaen van Meerdervoort (zoon van Claes en Cunera), getrouwd met Digna van der Meer. Hij kreeg vergunning van de dijkgraaf en hoogdijkheemraden van de Zwijndrechtse Waard, om zoveel iepen- en essenbomen langs de binnenberm van de dijk voor zijn slot en hofstad van Meerdervoort te zetten, als "geschieden kon zonder iemands bekreuning". Na zijn dood werd zijn oudste dochter Cunera vrouwe van Puttershoek, die trouwde met ridder Arent van Lier. Beider wapens stonden vroeger in de glazen van het huis van Meerdervoort. Zijn jongste dochter Geertruit werd vrouwe van Meerdervoort. Eerst was zij gehuwd met
1551 Michiel van Hoorion, heer van Ordingen, onder wie vele verbeteringen aan het slot werden gedaan, daarna trouwde zij
1562 Willem van Gindegouve. Na haar dood werd zij opgevolgd door haar zoon
1589 Willem van Hoorion, die het slot bewoonde en de oude fundamenten "met een ligt werk heeft doen overtimmeren". Hij stierf kinderloos, en liet zijn goederen in Meerdervoort na aan zijn weduwe
1608 Sophia van Bellinchuizen, die na het overlijden van haar echtgenoot ging wonen in Waals Brabant, terwijl zij al haar goederen in Holland verkocht, ook het slot en de ridderlijke hofstad van Meerdervoort, met alles wat daaronder begrepen was, namelijk de naam en het wapen, benevens het graf in de Augustijnenkerk in Dordrecht. Koper was Michiel Pompe, schepen en thesaurier van Dordrecht, die het geheel overdroeg aan zijn oudste zoon
1637 Michiel Pompe van Meerdervoort. Na zijn overlijden kwam de heerlijkheid eerst aan zijn vrouw
1640 Adriana van Beveren, en vervolgens aan zijn zoon
1662 Kornelis Pompe van Meerdervoort, ridder in de Orde van St. Michiel.
1749 Johan Diedrik Pompe van Meerdervoort
1805 Jonkvrouwen Pompe van Meerdervoort
1827 Abraham Pompe van Meerdervoort
1840 Hendrik Kuipers
1847 Julius Bernhard Sichel, te Amsterdam

Burgemeesters van Meerdervoort, 1811 – 1855
Nibbelink, Dirk Willem 1811 – 1830 overlijdt 22-8-1835 (vanaf 1805 ook ambachtsheer van de Heerlijkheid Hendrik-Ido- en Schildmanskinderen-Ambacht)
Nibbelink, Wouter Dirk (notaris) 1830 – 1849 (van 1840 tot 1846 ook gem. ontvanger van H.O.A.)
Stoop, Anthony 1850 – 1855

De gemeente
Meerdervoort werd pas in 1817 tot zelfstandige gemeente verklaard. Van 1812 tot 1817 was Meerdervoort burgerlijk gecombineerd met Groote Lindt en Zwijndrecht.
In mei 1829 wordt de ambachtsheer van H.O.Ambacht geraadpleegd over en vereniging met Zwijndrecht, in combinatie met Groote Lindt en H.O.Ambacht. Waarom de toenmalige ambachtsheer van Meerdervoort, Hendrik Kuipers, niet is benaderd, is gissen. In ieder geval gebeurt er niets.
In 1835 doet o.a. R. van de Spyker, sinds 1817 raadslid, het voorstel om Meerdervoort te verenigingen met Zwijndrecht. Dit wordt slechts voor kennisgeving aangenomen.
In mei 1846 doet Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een voorstel de gemeenten Zwijndrecht, Meerdervoort en H.O.Ambacht de verenigen onder de naam Zwijndrecht. De gemeenteraad en grondeigenaren oordelen op 16 mei dat een vereniging voor het belang der inwoners evenmin wenselijk als noodzakelijk is.

In 1850 volgt A. Stoop W.D. Nibbelink op als secretaris van Meerdervoort. Van de kleine gemeenten was de burgemeester meestal ook gemeentesecretaris.
Na invoering van de Gemeentewet werden vele kleine gemeenten gecombineerd, hetgeen het einde betekende van de zelfstandige gemeente Meerdervoort: bij wet van 17 juli 1855 worden de dorpen Meerdervoort en Zwijndrecht (ruim 400 en 2100 zielen) samengevoegd tot het dorp Zwijndrecht dat samen 2585 inwoners telt. Het dorp kende al een gezamenlijke burgemeester: A. Stoop.

De gemeente werd in het westen door de Uilenvliet gescheiden van de gemeente Groote Lindt. De grenzen liepen verder langs waar thans de burgemeester Van´ t Hofweg is en de Molensteeg -de latere Lindelaan- en de Oude Maas.
Om een goede spoorverbinding tussen noord en zuid te realiseren, werd in 1868 begonnen met de aanleg van de spoorlijn tussen Dordrecht en Rotterdam. In Zwijndrecht begonnen in 1866 de benodigde onteigeningsprocedures. De spoorbrug over de Oude Maas werd gebouwd in de jaren 1866 tot 1872. De spoorlijn legde niet alleen een barrière in Zwijndrecht tussen oost en west, feitelijk scheidde ze ook het oorspronkelijke dorpje Meerdervoort in tweeën.
In 1902 koopt de gemeente Zwijndrecht ook de Ambachtsheerlijkheid Meerdervoort. Al spoedig krijgt het gebied een woningbouwbestemming.

Tuindorp
Door inzet van burgemeester De Bruïne worden de gronden tussen dijk en rivier geschikt gemaakt voor industrieën en bedrijven. De fabrieksvestigingen van Jurgens en Van den Berg in 1913 en 1914 betekenden voor Zwijndrecht een forse ontwikkeling op dit gebied. Met hen steeg ook de behoefte aan personeel (toen nog arbeiders geheten), wat de Zwijndrechtse bevolking niet kon leveren. Vele Brabanders trokken hier naar toe, ook omdat de fabrieken oorspronkelijk Brabantse bedrijven waren. Voor al die arbeiders werden huizen gebouwd, en wel zo dicht mogelijk bij de fabrieken. In Meerdervoort dus. Het Rode Dorp verrees, zo genoemd vanwege de rode daken van de huizen, maar later wordt de naam ook betrokken op de politieke inslag van de arbeiders. In 1917 is een geheel nieuwe wijk met 250 huizen te bewonderen: tuindorp Meerdervoort, gesticht door Bouwvereeniging Zwijndrecht (voorzitter toen dr. J.E. Vonkenberg) en met een forse investering van Hfl. 175.000,- door Jurgens Oliefabrieken


De straten krijgen de namen van vaderlandse dichters: Tollens, Vondel, Revius, Cats, Staring, Marnix, Bilderdijk, Hooft... De wijk komt mede tot stand dankzij een forse investering van Hfl. 175.000,- door Jurgens Oliefabrieken. (Het is niet te achterhalen welke krant het was, maar wat zou er toch bedoeld zijn met de zin "Het geheel biedt een aantrekkelijke aanblik en zal veel winnen door een goed aangebrachte beplanting, indien de kwaadwilligheid der bewoners daartoe geen beletsel zal blijken."?)
Behalve woningen is er ook een aantal winkelpanden, waarin onder meer melkboer Rozendaal en de boekhandel van de weduwe Plancken zijn gevestigd.
Omstreeks diezelfde tijd bloeit in Zwijndrecht de Rooms Katholieke gemeente op door de aanwas van de uit Noord-Brabant afkomstige bevolking. Dit resulteert in een schipperinternaat en een kerkgebouw aan de Burg. de Bruïnelaan alsmede een school in de Emmastraat. Dit terzijde.

Het hek, het laatste overblijfsel van de voormalige buitenplaats het Huis te Meerdervoort, staat tot 1920 op zijn plek. Het "zag" omstreeks 1917 hoe het eilandje, waar eens het bouwwerk stond waartoe hij toegang bood, het groene middelpunt werd van het tuindorp Meerdervoort dat werd gebouwd, grotendeels ten behoeve van de arbeiders die werkten in de nieuwe fabrieken aan de Lindtsedijk, met name de zeepfabriek van Simon van den Bergh en de oliefabriek van Anton Jurgens. Op het eiland verrijst een muziektent/tempel.
Dan, in 1920, laat Anton Jurgens het oude hek afbreken en als hoofdingang herplaatsen voor zijn fabriek aan de andere kant van de Lindtsedijk. Vanaf die plek "ziet" het hoe eind jaren dertig het tuindorp afgebroken moet worden vanwege de verzakkingen en het ongedierte. Omstreeks 1942 zijn reeds 193 woningen "herbouwd". In de jaren zestig verdwijnt het hek naar Schiedam als eigendom van een sloper. Daarmee verdwijnt het uit beeld.

Diverse advertenties uit de jaren veertig tonen aan dat er verschillende winkeliers in de wijk waren gevestigd. Zo blijkt wel: wie adverteert, die blijft. In 1940 is bakker Slob er nog gevestigd. Uit 1948 dateren advertenties van Zwang levensmiddelen (Helmersstraat 11), Kock (ook levensmiddelen, Vondelstraat 23), kapper Pellikaan (Vondelstraat 11), en bakker Kraan (Marnixstraat 30). Verder waren er in de Vondelstraat slager Seip (nr. 1), sigarenzaak Los (nr. 13) en daarnaast kapsalon van der Ent.