uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

Heer Oudelands Ambacht

Opheffing : 1857 Groote Lindt (1881 Zwijndrecht)
Toevoegingen : -
I : 24 december 1817 
"Van keel beladen met een keper van goud." 

Oorsprong/verklaring : 
De heerlijkheid was in de eerste helft van de 18e eeuw in het bezit van Vrouwe Catharina Kamp, weduwe van Jacob van Herzeele. Het wapen van Herzeele was identiek aan het gemeentewapen met een uitgeschulpte schildzoom van zilver. 
De bedijking van de Zwijndrechtse waard werd in 1331 in gang gezet door Hendrik van Brederode. Hij bepaalde dat iedereen die meer dan 1/16 aandeel van de kosten van de nieuwe waard voor zijn rekening zou nemen, deze de titel Ambachtsheer van een gedeelte van de waard zou krijgen. Hierop besloot een achttal personen de bedijking te financieren. Zij kregen daarop allen 1/8 deel van de waard in leen. Deze 8 personen waren: Heer Schobbeland van Zevenbergen, die het gebied rond het huidige Zwijndrecht verkreeg; N van de Lindt, naar wie de Groote en Kleine Lindt zijn genoemd; Heer Oudeland, naar wie Heeroudelands Ambacht is genoemd; Jan van Roozendaal, die Heerjansdam verkreeg; Daniel en Arnold van Kijfhoek; Claes van Meerdervoort; Adriaan van Sandelingen, die Sandelingen Ambacht verkreeg en tenslotte Zeger van Kijfhoek, wiens zoon Hendrik Ido ambachtsheer werd. 
Jan Oudeland schonk zijn deel in 1348 aan Jan van Brakel. De Van Brakels bleven heren tot 1478. Hierna is de heerlijkheid in vele handen geweest, oa aan Catharina Kamp, eigenares van 1749-1789. 
Door Regt wordt het wapen beschreven met een keper van zilver ipv goud. Ook Van Ollefen en Bakker geven de keper van zilver.

Het werd reeds voor 1331 bewoond, blijkens verscheidene langs de Devel gevonden heuveltjes, die ter bescherming tegen het water strekten.
In 1749 stonden er 30 huizen, in 1848 waren dat er nog twaalf, bewoond door tachtig mensen, verdeeld over veertien gezinnen.
In het Volgerland stond de fraaie buitenplaats van de heer Van de Wal. Verder waren er de bekende boerenhofsteden Bakenstein en Panoord. Deze laatste had ook een arbeidswoning aan de Langeweg. De gemeente stond ook bekend onder de naam de Pieterman. Mogelijk is de naam hiervan ontleend aan de herbergier hier. In 1793 bestond er nog een herberg tegenover de kerk, waarin tevens het rechthuis werd gehouden.
De mensen leefden van landbouw en veeteelt, en een vlasserij. (De bemoeienis van koning Lodewijk Napoleon in het begin van de negentiende eeuw deed de vlasteelt tussen 1803 en 1809 stijgen met bijna 250%.)

Het dorp werd eertijds beschreven als klein, nochtans om zijn landelijk schoon een waar sieraad in de Zwijndrechtse Waard. Het werd ´s zomers veel met rijtuigen door de naburige stedelingen bezocht. Ook was het de geliefkoosde plaats om zich ´s zondags, na de kerk, met het kaatsspel te verlustigen. Verder was er het eerste ijsvermaak ´s winters op de Devel.
Een predikant van Groote Lindt ging elke zondagmiddag voor in de kerk. Deze kerk werd aan het eind van de achttiende eeuw begiftigd door de ambachtheer J. van Dijk met twee zilveren drinkbekers voor het Heilig Avondmaal.
Niet ver van het dorp is in de Oudelandse polder een weide, de Koedief, en in de Zwijndrechtse polder een, de Officier genaamd. Deze staan met de bekende koehistorie, voorgevallen onder graaf Willem III, in verband (zie verderop).

Na invoering van de Gemeentewet werden vele kleine gemeenten gecombineerd. Vanaf 13 juni 1857 vormden Groote Lindt, Heer-Oudelands-Ambacht en Kijfhoek de gemeente Groote Lindt. Bij wet van 28 juni 1881 ging Groote Lindt op in Zwijndrecht.

Jacobus Wilhelmus Regt wordt op 2 januari 1840 genoemd tot schoolonderwijzer te Groote Lindt en H.O.Ambacht, als opvolger van de overleden Abram Krijger, die deze functie sinds 1819 vervulde. Hij is de schrijver van de Geschied- en aardrijkskundige beschrijving van den Zwijndrechtschen Waard, den Riederwaard en het Land van Putten over de Maas, uit 1848.

De koehistorie
Een arme boer (volgens Van Oudenhoven uit Hendrik-Ido-Ambacht) had een zeer prachtige koe waarvan hij in 1336 op een bedrieglijke wijze door een officier (de baljuw in dit geval: Willem Willemsz. van Zirckzee, sinds 1331 baljuw) werd beroofd. Op aanraden van zijn vrienden waagde hij het zijn beklag te doen bij Graaf Willem III, die de boer gunstig aanhoorde en de officier dadelijk bij zich te Valenciennes ontbood. Deze meende zich te mogen verontschuldigen, daar hij de boer een andere koe die er nagenoeg op leek had gegeven. Vergeefs echter. De Graaf liet hem eerst aan de boer honderd gouden kronen betalen en zei vervolgens: "Nu is wel de boer voldaan, maar nog geenszins het recht." Daarop liet hij de baljuw onthoofden.
Deze daad van Willem III wordt door de geschiedschrijvers bijgebracht tot een bewijs van zijn strikte onpartijdigheid en zijn rechtschapen hart, in een tijd waarin men niet gewoon was de boeren onder de bescherming der wetten te rekenen, en men zich daarom allerlei willekeurigheden tegen hen veroorloofde.
Ook de naamsoorsprong van Luishoek, een stuk land in de Devel, kan tot dat voorbeeld dienen. Een edelman die het leven van een boer "aan zijn luimen had opgeofferd" werd door "een hogere arm dan die der aardse gerechtigheid, vreselijk gestraft".
Het stuk land dat de Koedief genaamd was, ligt – komende vanuit Zwijndrecht via de Langeweg, links voor de Bootjessteeg, bij de kruising Langeweg-Bootjessteeg-Krommeweg.