uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

Veer

Het doorgaande verkeer was in vroeger tijden in het rivierrijke Nederland vaak aangewezen op overzetveren. Soms maakte men gebruik van de bij eb droogvallende beddingen, zodat geen veer nodig was. Voor de St. Elisabethsvloed zat Dordrecht nog vast aan Brabant en daardoor was het Zwijndrechtse veer de belangrijkste verbinding tussen de graafschappen Henegouwen en Holland. Dat kwam mede doordat de grote weg door de Zuid-Hollandse Waard liep, de Langeweg.
Onbekend is hoe oud het precies is. De oudste geschriften gaan terug tot 1332, toen de Zwijndrechtse Waard werd bedijkt. Het recht om mensen, dieren en goederen naar de andere kant van de rivier te brengen was van de graaf van Holland, die dit recht verpachtte en zodoende zijn inkomsten vergrootte. Bekend is dat het veer in 1427 werd verpacht aan Dirk van Swieten, ambachtsheer van Zwijndrecht.

Na 1572 werd er niet meer verpacht en kwam het veer in eigendom aan de Domeinen, Staatseigendom van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Het overzetten gebeurde met voet- of schuitenveren. Dit waren roeiboten, welke geen koetsen of paard en wagens konden overzetten. Omdat Dordrecht sinds de St. Elisabethsvloed door water werd omringd, was het dus verstoken van wagenvervoer. In 1630 pachtte Dordt dan ook het "halve veer" en bracht een grote zeilpont in de vaart. In 1667 kwam daar het veer Wieldrecht-Lage Zwaluwe bij en zo ontstond weer een doorgaande routevoor wagens van de Noordelijke naar de Zuidelijke Nederlanden.

Het halve veer betekende dat het veer van Dordrecht naar Zwijndrecht eigendom was van de stad en het veer van Zwijndrecht naar Dordrecht van de Domeinen. Over het Zwijndrechts veer waren vaak moeilijkheden. Soms vlogen de schippers van de ponten elkaar in de haren als er een passagiers had meegenomen van de andere oever. Dat mocht namelijk niet. De twee ponten moesten steeds leeg terug varen. Deed een schipper dat niet dan sneed de ander uit wraak de kabels door. Dat gebeurde toen de roeiboot al was vervangen door de zogenaamde reepponten, die langs kabels naar de andere zijde werden getrokken.
Ook de Zwijndrechtenaren veroorzaakten wel eens problemen. Zij hadden namelijk vrije overtocht, en dat zinde de schippers niet.

In maart 1840 werd de dienst gekocht voor fl 6000,-, een kolossaal bedrag. Het veer was dan ook behoorlijk winstgevend. Het was onderdeel van de ´snel´weg Parijs, Antwerpen, Rotterdam, Amsterdam. 
In 1867 waren er weer problemen. Nu omdat het dorp Zwijndrecht in het bezit kwam van een acte waarin bepaald werd dat er nog een veer op Dordrecht mocht zijn. Weliswaar met een roeibootje, maar toch bedreigend genoeg voor Dordrecht. Het bootje voer naar waar ongeveer nu de Handelskade is.

Dordt was bereid om diep in de buidel te tasten om ook de rechten van dit veer te kopen. De stad betaalde er fl 3000,- voor. 
Het jaar 1867 was ook in andere zin belangrijk voor het Zwijndrechts veer. In dat jaar werd begonnen met de bouw van de spoorbrug over het Hollandsch Diep. Op 31 december 1871 was die Moerdijkbrug klaar, een paar maanden later gevolgd door de spoorbrug over de Oude Maas. Voor het eerst sinds 450 jaar kon het Eiland van Dordrecht weer zonder boot worden bereikt 
En 1867 was ook het jaar dat stoom zijn intrede deed. Er werden vier stoompontjes besteld bij de scheepswerf van J en K. Smit in Kinderdijk.
In 1897 werden deze bootjes vervangen door twee zelfstandige raderveerboten, die ook voorzien aren van een mogelijkheid tot kopladen: voertuigen konden er makkelijk op en af rijden.

Verkeer 
De trein mocht dan wel behoorlijk wat passagiers van de pont wegpikken, het wegverkeer werd drukker en drukker. Steeds grotere ponten moesten worden ingezet. Vooral de Veerdienst VII, die in 1927 in de vaart kwam (gebouwd bij scheepswerf De Biesbosch) was voor die tijd spectaculair. De pont had vier schroeven en kon met die schroeven (in plaats van een roer) worden bestuurd. In 1929 werden ongeveer 325.000 personen en 230.000 auto´s overgezet. Deze enorme toeloop zorgde steeds vaker voor vertragingen en opstoppingen op en bij het Veerplein. Voor de bedrijfsauto´s en het goederenvervoer was dat een financiële strop.

Het Zwijndrechts veer werd steeds meer de hinderpaal in de belangrijke noord-zuid verbinding. Er waren begin jaren dertig plannen om een verkeersbrug tussen Dordrecht en Zwijndrecht te bouwen. 
Maar ook de Zwijndrechtse pont moest worden vernieuwd. Dordrecht voelde er weinig voor om voor een paar jaar een nieuwe dure pont te laten bouwen. Pas toen het Rijk beloofde het schip over te nemen als de brug er zou zijn, werd opdracht gegeven voor de bouw van een nieuw schip, de Veerdienst IX

Brug
Op 12 december 1936 werd de verkeersbrug over het Hollandsch Diep in gebruik genomen, wat het eind betekende van de veerdienst Moerdijk-Willemsdorp. De nieuwe brug zorgde voor nog meer ellende bij het Zwijndrechts veer. De pont was een flessenhals in de weg en het verkeer over de weg nam spectaculair toe. Om het veer te ontlasten werd bij het ´s-Gravendeelse veer een nieuwe, grotere pont ingezet. En er werd een heuse reclamecampagne om de mensen te bewegen van het ´s-Gravendeelse gebruik te maken. Dat gebeurde slechts mondjesmaat. De ellende van kilometers lange files in de stad met wachtende auto´s voor het Zwijndrechts veer bleef tot 1939. Op 18 juli van dat jaar werd de Zwijndrechtse brug in gebruik genomen.
Voor automobilisten was de brug een uitkomst. Voetgangers en fietsers hadden al snel genoeg van de steile trappen bij de brug en namen als vanouds de pont.

1966 was een revolutionair jaar. Na ruim zeshonderd jaar werd de veerdienst verpacht aan een particulier, de firma Vos uit Kinderdijk. Het eens zo roemruchte veer werd gedegradeerd tot een voetgangerspontje. Bekend is de Adri. Dit scheepje werd helaas zelfs landelijk bekend na het ongeluk op zondag 5 oktober 1980, toen het pontje in aanvaring kwam met een tanker. Zeven mensen kwamen hierbij om. In 1986 werd alles als vanouds. Het veer werd weer onderhouden door de stad: in eigen beheer.

Andere veren
Een tweede veer voer van de Oostkeetshaven naar de Buitenwalevest. Dit veer was eigendom van de bezitter van de ambachtsheerlijkheid Sandelingenambacht. Deze had namelijk een stuk grond bij de Oostkeetshaven in eigendom. Zo´n stuk grond heette een "volgerland".
Dit veer werd ook wel "sluikveer" genoemd. Men trachtte hiermee nogal eens de hoge zoutaccijnzen te omzeilen door zout te smokkelen.

Het derde veer was "Het veer op den Mijl". Dit was gelegen bij herberg "De Steenen Kamer", nabij Meerdervoort. De herbergier was tevens de veerschipper die de boot naar de overkant roeide. Het werd rond 1868 opgeheven. In de periode dat het veer in gebruik was, is het toch wel van belang geweest, omdat veel Dordtenaren via dit veer kwamen kolven op de kolfbaan van De Steenen Kamer, of kwamen wandelen rond de ridderlijke hofstede Meerdervoort en in de bosrijke omgeving van de Oude Maas.Toen het veer was verdwenen is de herberg, die daarvan voor een groot deel afhankelijk was, kort daarna gesloopt. Overigens heeft de herberg tot 1848 nog gediend als raadhuis, dat wil zeggen dat het gemeentebestuur er, bij gemis aan het raadhuis, een ruimte huurde voor de bijeenkomsten.

Verder is er natuurlijk nog het Puttershoekse veer, dat reeds in 1867 bestond, maar waarvan beperkt gebruik wordt gemaakt.
Bekend is ook het Stoomboot-Vervoersbedrijf "Thor" van rederij A. Smit. Johannes Plaisier verzorgde de vrachtgoederen van deze onderneming en voer de route Rotterdam-Willemstad, waarbij het Thor-hoofd in Zwijndrecht een aanlegplaats was. Zijn bijnaam was Hannes den Thor.
Een andere bootverbinding was van Fop Smit, welke eveneens verbindingen met Rotterdam onderhield en waarmee vele tuinders met hun groenten naar de marktyen in Rotterdam voeren.