uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

Kasteel Develstein

Het slot en zijn verwoesting
Willem van Beveren
Literaire kring
Broeckhuysen, Snellen
Verval

Het slot en zijn verwoesting

Develstein bekleedde eertijds onder de adellijke hofsteden, die weleer in Zuid-Holland aanwezig waren, een voorname rang vanwege haar hoge ouderdom en aanzienlijke bezitters.
Toen de Zwijndrechtse Waard in 1332 op last van Graaf Willem de derde bedijkt werd, bouwde ridder Willem van Duvenvoorde op de Lievers- of Lievenhille een slot, met gracht en torens. Deze hille was voor de bedijking een heuvel waar het vee bij hoge vloeden veilig was voor verdrinking. Na de bedijking kwam deze functie te vervallen. Alvorens te bouwen liet ridder Willem een deel van de heuvel slechten.
Willem van Duvenvoorde, geboren als bastaard maar tijdens zijn leven één van de rijkste mannen van Europa, stierf in 1353, maar het slot was waarschijnlijk reeds twee jaar eerder in handen gekomen van het geslacht Brakel. In de strijd tussen de Hoekschen en Kabeljaauwschen koos hij net de verkeerde partij (die van de gravin van Holland, Margaretha van Beieren) en viel derhalve in ongenade waarbij hij veel van zijn bezittingen verloor.

[Willem van Du(i)venvoorde, overleden op 12-08-1353. Begraven te Brussel in de Kapel der Rijke Clarissen. Geboren uit een buitenechtelijke relatie van zijn vader met een onbekende vrouw.
Heer van Oosterhout. Kamerling van Graaf Willem III. Hij komt voor sinds 15 mei 1313, toen hij door Graaf Willem III werd beleend met "7 hoeven in de wildernis bij Nootdorp". Geldschieter van verscheidene Europese Vorsten: Willem III Graaf van Holland (1304-1337); Jan III van Brabant (1312-1355), Eduard III van Engeland (1327-1377) en Lodewijk IV van Beieren, keizer van Duitsland (1314-1347).
Onder Graaf Willem IV werd hij de meest invloedrijke raadgever, dit bleef hij ook onder zijn opvolgster Keizerin Margaretha. Hij was één der belangrijkste "Hoekse Edelen", zijn huis in Den Haag werd dan ook door de "Kabeljauwen" geplunderd.
Zijn huwelijk in 1326 met Heilwig, vrouwe van Vianen, bleef kinderloos, hij liet echter wel een dozijn bastaarden na. Zij overleed op 14-02-1351. ]



Het geslacht der Brakels stierf uit eind vijftiende eeuw doordat de laatste stamhouder de geestelijke stand koos, en de nieuwe eigenaar werd de famile Duyck. Johan Duyck was Heer van Wieldrecht en zoon van Willem Arentsz Duyck, die meermalen burgemeester van Dordrecht was. In 1472 of 1478 verkreeg hij ook de ambachtsheerlijkheid van Oudeland in erfleen.
In 1572 werd het slot door de Spanjaarden verwoest bij hun tocht naar Rotterdam, om te voorkomen dat de Geuzen het zouden gebruiken. Van het slot zijn geen afbeeldingen bekend, het moet dik van muren zijn geweest en had waarschijnlijk vier zware ronde torens met schietgaten. Na de verwoesting stond slechts één toren (waaronder een kelder) en een deel van een paviljoen nog overeind
Op 12 mei 1594 werden de resten overgedaan aan Willem van Beveren, heer van Strevelshoek, die het nog hetzelfde jaar gedeeltelijk liet herstellen. Zijn zoon Cornelis voltooide het werk en uiteindelijk herrees Develstein, ofschoon kleiner en sierlijker.


Jacob van Strij: Winter op de Devel

Willem van Beveren

De vader van Willem van Beveren had een belangrijke rol gespeeld in de verlossing van Dordrecht uit de Spaanse slavernij (1572). Willem studeerde Latijn en bezocht na zijn studie Vlaanderen, Frankrijk en Italië. In 1584 werd hij tot raad en rentmeester generaal van Zuid-Holland aangesteld. De stad Dordrecht verkoos hem vijfmaal tot burgemeester. Prins Maurits raadpleegde hem soms schriftelijk over belangrijke staatsaangelegenheden en benoemde hem in 1618 tot hoofd van de regering. Hij was 44 jaar lid van de vergadering der Staten en bij zijn overlijden in 1631 de oudste regent van het land (85). 
Hij rust in de familiekapel in de Augustijnenkerk in Dordrecht.

Literaire kring

Develstein was Willems lust- en rustplaats. Hij nodigde er vrienden en begaafde stadgenoten. 
Op initiatief van Jacob Cats, pensionaris van Dordrecht, hadden Dordtse dichters, musici, geleerden en kunstenaars een kring gevormd, die vaak bijeenkwam in het slot Develstein. Deze kring, waarin "niet minder kunstliefde, maar wel veel minder begaafdheid gevonden werd dan in de Muiderkring", was redelijk hecht: de dichter-vrienden schreven bijvoorbeeld vele drempel- en gelegenheidsgedichten voor elkaar.
Als in zo vele steden stelden ook de zeventiende-eeuwse patriciërs in de oudste stad van Holland er een eer in kunstbeschermers en kunstbeoefenaars te zijn. Vanaf 1631 was Cornelis van Beveren drost, ridder van St. Michiel, die in 1663 overleed, en ten slotte diens zoon Willem, gestorven in 1672. Al de Van Beverens hebben ook Nederlandse verzen gemaakt, maar Cornelis het meest.Onder zijn leiding kende de kring een grote bloei, al bleef het bij "cleyne buecxkens, cleyne talenten". Overigens was Van Beveren niet de enige maecenas; de Dordtse patriciërs Pompe van Meerdervoort en Brandwijck stelden eveneens hun deuren open voor hun stadgenoten.
Klik hier voor een overzicht van de bezoekers.

Het Dordtse dichtersgezelschap kreeg in de geschiedschrijving weinig lovende woorden toebedeeld. In de zeventiende eeuw was er sprake van een rivaliteit tussen Amsterdammers en de Dordtenaren. Zeker in het laatste kwart van de zeventiende eeuw heeft het verval zich ingezet in de productieve Dordtse kunstbeoefening. Na 1676 verwaarloosde de stadsregering haar uitnemende bibliotheek; ze verleende geen giften meer voor de opdrachten van geschriften. De mecenaten van voorheen waren ijdele magistraten geworden. De roem van de Illustre School, en daarmee de bloei van filologie, theologie, kunst en letterkunde, was geheel verdwenen. Bovendien stond het toneel op voet van oorlog met de kerkeraad in Dordrecht: van een bloeiend toneelleven kon dan ook niet langer sprake zijn. Later, in de negentiende en twintigste eeuw, werd er eveneens weinig goeds gezegd van de Dordtse dichters. De geringe waardering hadden ze vooral te danken aan hun stichtelijke verzen, hun Catsiaanse rijmelarij, hun vele vertalingen en navolgingen en de geringe oorspronkelijkheid in hun werk. 

Develstein Ao 1647, door Roelant Roghman (1627 - 1692). (Fogg Art Museum Londen). Roghman trok op twintigjarige leeftijd door Utrecht en Holland om de aanwezige kastelen te tekenen. Ook tekende hij kasteel Meerdervoort.

 

Broeckhuysen, Snellen

Terug naar Develstein. In 1711 kwam de Heerlijkheid in eigendom aan de zes overgebleven kinderen van Maria Sweers de Weerd, weduwe van Johan van Beveren, tweede zoon van Cornelis.Eén ervan was Justina Elisabeth, en haar zoon, Adam van Broeckhuysen (geb. 1682), werd na haar overlijden en dat van zijn ooms en tantes bezitter van Develstein. Hij verkreeg een hoge rang in het leger en diende het land in de oorlogen tegen Frankrijk tussen 1700 en 1748. Zijn "Krijgskundige Memorien" zijn helaas verloren gegaan. Verder hield hij zich bezig met dicht- en schilderkunst en het opzetten van dieren en insecten. Hij was bekwaam als mechanicus, wis-, natuur- en vestingbouwkundige.
Na zijn dood in oktober 1748 ging het slot over in handen van zijn zus Godelive, gehuwd met Willem Snellen. Zij bewoonden het slot slechts zo nu en dan. Hun derde kind, Willem Snellen, was vanaf 1758 enige tijd burgemeester van Dordrecht. 

Alle kinderen van Willem en Godelive, vier in getal, overleden ongehuwd. Behalve... Johanna Maria Elisabeth, de laatste bezitster van Develstein. Zij trad op een leeftijd van meer dan zeventig jaar in de echt met de 26-jarige Alexander Augustinus Florentius, Graaf van Dam, een Vlaams edelman.
Hij overleed echter eerder dan zij.
Johanna Snellen, gravin van Dam, bewoonde het slotje Lindenburg, bij Oosterhout, en bracht jaarlijks slecht enige weken door op Develstein, dat zij meer en meer liet vervallen. Na haar overlijden in 1816 verviel haar nalatenschap aan de erven in vaderlijke en moederlijke lijn, en Develstein, dat niet verkocht mocht worden, aan haar oudste neef, Cornelis Tobias Snellen, die het niet meer bewoonde.

Verval en afbraak

In 1821 was het kasteel al danig vervallen. Het werd niet meer bewoond noch onderhouden en stond leeg, ten prooi aan weer en wind. Van de vroegere grandeur restte nog weinig. Waarschijnlijk bezat Cornelis Tobias Snellen niet de middelen het pand te onderhouden. Eind 1823 begin 1824 werd het kasteel bijna geheel gesloopt. De laatste bouwvallige resten verdwenen met de jaren en daarmee een roemrijk gedeelte van de Zwijndrechtse geschiedenis.

In 1867 werd de grond verkocht aan een bouwmeester uit de Groote Lindt. Tot 1969 stond vlak naast het eilandje boerderij Develstein. Deze is uiteindelijk afgebroken om plaats te maken voor het Develsteincollege, een scholengemeenschap.

Bronnen:   Vaderlandsche Historie, door J. Wagenaar, uitgeverij Johannes Allart Amsterdam, 1791
Geschied-, letter- en oudheidkundige uitspanningen, G.D.J. Schotel, 1840, (blz. 55-128 Het slot Develstein Zwijndrecht)
Gemeentearchief Zwijndrecht

zie ook www.kasteeldevelstein.nl