uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

De heerlijkheid Meerdervoort

De familie Van Meerdervoort
De familie Pompe
Betrekkingen met Develstein
Het nieuwe Meerdervoort
De jonkvrouwen van Meerdervoort
De finale
De afbraak

De familie Van Meerdervoort

De bedijking (herdijking?) van de Zwijndrechtse waard werd in 1331 in gang gezet door Hendrik van Brederode. Hij bepaalde dat iedereen die meer dan 1/16 aandeel van de kosten van de nieuwe waard voor zijn rekening zou nemen, deze de titel Ambachtsheer van een gedeelte van de waard zou krijgen. Hierop besloot een achttal personen de bedijking te financieren. Zij kregen daarop allen 1/8 deel van de waard in leen. Eén van hen was Claes van Meerdervoort Willemsz..
Bij de ambachtsheerlijkheid hoorden een aantal rechten: rechtspreken in eenvoudige zaken, dorpsbestuurders waaronder de schout benoemen, pastoor (later predikant), koster en schoolmeester aanstellen, keuren uitvaardigen, boeten opleggen en tienden heffen over gewassen en vee.
Al snel na de bedijking (1338) wordt kasteel Meerdervoort gebouwd, een versterkte adellijke ridderhofstad, met grachten omgeven. Het heeft een markante toren, trapgevels en sierlijke kleine torentjes.
In 1430 wordt het Kort-Ambacht van de Lindt bij Meerdervoort gevoegd. Omdat het een ambacht is "met den winde" (het recht van de wind) heet het ook wel het Molen-Ambacht. Het voorvoegsel "kort" wijst er op dat een groter stuk was ingekort tot enkele kleinere stukken.
Uiteindelijk wordt het Hoofdambacht van de Heerlijkheid in het oosten begrensd door Schobbelandts-Ambacht, in het westen door de Groote Lindt, in het noorden door Develstein, en in het zuiden door de Merwede, de huidige Oude Maas. Het geheel groeide uit tot een aanzienlijke bezitting met kasteel, boerderij, molens, boomgaard, landrijen, weilanden, grienden, rietvelden, uiterwaarden en met de buitendijks nabijgelegen roemruchte herberg en uitspanning met overzetveer "Steenen Kamer".

In 1490 huwt een Claes van Meerdervoort met Cunera van Drenckwaert. Hun zoon Adriaen huwt met Digna van der Meer en dit echtpaar krijgt twee dochters, Cunera en Geertruyt. De jongste erft uiteindelijk Meerdervoort, waarschijnlijk in 1551 waarmee een einde komt aan de bewoning van het kasteel door de familie Van Meerdervoort. (Tot die tijd voerden de huislieden van de hoeve altijd de bijnaam van ´t Hof. Daaruit blijkt dat het een zeer aanzienlijke en bijzondere bezitting moet zijn geweest.) Geertruyt huwt met Michiel van Hoorion, die jong sterft. Zijn zoon Willem huwt met Sophia van Bellinckhuyse. Willem sterft in 1608, kinderloos, Sophia overlijdt twee jaar later. 
Daar de drie zonen van Cunera (de zus van Willems moeder) ook reeds gestorven zijn (de oudste jong, de andere twee in 1588 aan de pest) is het geslacht Van Meerdervoort definitief uitgestorven. Sophia verkoopt in 1608 al haar goederen in Holland, waaronder het slot Meerdervoort met al het toebehoren, ook de naam en het wapen benevens het graf in de Augustijnerkerk te Dordrecht, en vertrekt naar Waalsch Brabant. Koper is de rijke Dordtse koopman, schepen en thesaurier Michiel Pompe.

De familie Pompe

Jan Pompe wordt in 1491 door Frederik III tot ridder geslagen. Zoon Jan, geboren in 1500, komt met keizer Karel V naar Brabant. In 1534 krijgt hij een zoon, Pieter, die op order van keizer Karel jong trouwt met jonkvrouw Barbara Schets. In de tweede helft van de 16e eeuw vluchten Pieter en zijn vrouw voor de vervolging van Alva naar Duitsland. In 1589 sterft hij daar, waarschijnlijk door moordenaarshand. Barbara keert met haar zeven kinderen en 70.000 gulden terug en leeft van de rente van haar kapitaal. Haar zesde kind is Michiel, geboren te Goch op Allerheiligen van 1578. Hij trouwt in augustus 1601 te Dordrecht met Maria Sasbout (1578 - 1629) en krijgen samen tien kinderen.
Michiel Pompe is behalve koopman, schepen en thesaurier van de stad Dordrecht tevens bewindhebber van de West-Indische Compagnie. Wegens zijn verdiensten wordt hij in 1625, kort voor zijn overlijden dat jaar, door de Staten van Holland genaturaliseerd.
Wanneer Michiel Pompe Meerdervoort in 1608 koopt, en daarmee de adellijke titel, voegt hij de naam toe aan de zijne en voert aldus de familie Pompe binnen in de geschiedenis van Meerdervoort. Uiteraard noemt de familie zich sindsdien Pompe van Meerdervoort. Zo begint een bloeiperiode van meer dan twee eeuwen voor de oude Hofstede met als hoogtepunt de aanleg van opmerkelijke tuinen.

 

Michiel Pompe van Meerdervoort, Heer van Meerdervoort, lid van de Raad en schepen van Dordrecht.
Wapen: Gevierendeeld: I en IV In zwart drie zaadknoppen van pompebladeren (pompkannetjes) van goud (Pompe); II en III Doorsneden: a in rood een leeuw van zilver, b in rood drie palen van zilver (Van Meerdervoort).

Betrekkingen met Develstein

De nazaten van Michiel herscheppen Meerdervoort in een ware lusthof. Op en rondom het eilandje worden opmerkelijke tuinen aangelegd, in alle belangrijke stijlen die ons land in de loop der eeuwen heeft gekend: van de hollandse en de franse tuinstijl tot en met de engelse landschapsstijl. Daarbij werd in het begin van de 18e eeuw het verouderde kasteel Meerdervoort afgebroken en vervangen door een nieuw huis. De eigenaar vond dat beter passen bij de franse mode die toen ook in de tuinstijl hoogtij vierde.

De familie Pompe betrekt dus in 1608 Meerdervoort. Al spoedig ontstaan hechte contacten met de bewoners van het nabij gelegen kasteel Develstein. Daar woont sinds 1594 de familie Van Beveren. In de tijd van Michiel Pompe woont Cornelis van Beveren (1591 - 1663) er, die gehuwd is met Christina Pyll. Cornelis is behalve burgemeester van Dordrecht (en dus een goede bekende van Michiel) ook Heer van Strevelshoek, West-IJsselmonde en De Lindt, raad en algemeen rentmeester van Zuid-Holland, en ridder in de orde van St. Michiel. Hij is een man van groot aanzien en zeer kunstzinnig. Hij bezit op Develstein een mooie verzameling schilderijen en boeken, en maakt van zijn huis een ontmoetingsplaats met gelijkgezinde dichters, wetenschappers, godgeleerden, schilders en musici. De bekende dordtse schilder Aelbert Cuyp bijvoorbeeld komt meerdere malen op Develstein.
Zie verder Literaire kring bij Develstein. Het is waarschijnlijk in deze tijd dat één van de dichters aldaar het grafschrift maakt dat op de Meerdervoortkapel in de Grote Kerk is te lezen: Hy acht hier ´t Leven ´t minst, die ´t meerdere bekoort. Als ´t minst is afgelegt dan spruit een MEERDERVOORT.
Een andere schrijver, de niet onbekende Lambert van den Bos die ook de eerste vertaler was van de avonturen van de dolende ridder Don Quichot, schreef een boek waarin Michiel Pompe van Meerdervoort een rol speelt. Het duel, 1662


Michiel en Maria krijgen dus tien kinderen. Het vijfde (1613) heet naar zijn vader. Michiel Pompe van Meerdervoort junior trouwt in 1637 met Adriana van Beveren (geboren 1618), de dochter van Cornelis van Beveren, en gaan op Meerdervoort wonen. Daar worden kort na elkaar hun zoons Michiel en Cornelis geboren. Omstreeks 1652 worden zij geschilderd door Aelbert Cuyp, zittend te paard en gereed voor de jacht met hun huisleraar. Het schilderij, dat tegenwoordig in het Metropolitan Museum of Art in New York hangt, heeft altijd "int kinder camertie" van Meerdervoort gehangen. Michiel overlijdt overigens een jaar later te Leiden, 15 jaar oud. Overigens staan beide zonen, met hun moeder, nog op een ander schilderij: De weg naar Meerdervoort, ook van Aelbert Cuyp uit hetzelfde jaar.



In 1637 slaagt Michiel (de tweede) er in, twee jaar voor zijn overlijden, de ambachtsheerlijkheid van het Cort-Ambacht te verkrijgen. Daardoor worden hij en zijn nazaten niet alleen eigenaar van Meerdervoort, maar nu ook officieel ambachtheren (en ambachtsvrouwen) van het gebied waarin Meerdervoort is gesitueerd.
Wanneer hij kort na de geboorte van Cornelis in 1639 overlijdt, beheert Adriana tientallen jaren Meerdervoort. Haar van huis uit meegekregen kunstzinnige invloed heeft hoogstwaarschijnlijk een groot stempel gedrukt op de aanleg van de tuin. Ook ontstonden in die periode de eerste afbeeldingen ervan.

Meerdervoort Ao 1647 (met tuin, getekend vanuit het zuiden), door Roelant Roghman (1627 - 1692). Roghman trok op twintigjarige leeftijd door Utrecht en Holland om de aanwezige kastelen te tekenen. Ook tekende hij kasteel Develstein.
Dat de tuin zeker voor die tijd uniek is, blijkt wel uit het feit dat van de tweehonderd kasteeltekeningen er slechts twee een tuin vertonen. Opmerkelijk bij de afbeelding is dat de tuin op de voorgrond is getekend, en het kasteel op de achtergrond.


Het bijzondere aan de tuin van Meerdervoort was, dat het geen "nutstuin" was (kruiden en andere nuttige gewassen die centraal stonden), maar een tuin waarvan de aanblik plezierig was en vreugde schonk. Een mijlpaal in de hollandse tuinkunst.


Michiel Pompe van Slingeland

 

Cornelis Pompe van Meerdervoort, de enig overgebleven zoon, huwt in 1662 met een andere telg uit het geslacht Van Beveren: Alida. Zij is een dochter van Jacob van Beveren Corneliszoon en Johanna de Witt, een zus van de in Den Haag in 1672 zo gruwelijk vermoorde Johan en Cornelis. Ooms dus.
Alida overlijdt 11 november 1680; Cornelis overlijdt drie dagen later. Beiden worden tegelijkertijd bijgezet in de Meerdervoort-grafkapel in de Grote kerk te Dordrecht.
Van hun veertien kinderen verdienen er twee de aandacht: het derde, Jacob (1666 - 1720) en het vijfde, Michiel (1668 - 1721). Michiel schrijft ontzettend veel op aangaande de familie. Na zijn dood verwerft zijn dochter Johanna Alida de Heerlijkheid. In 1723 huwt zij (1691 - 1749) met haar neef Johan Diederik (1697 - 1749), zoon van Jacob, de broer van haar vader. Samen zorgen zij voor ingrijpende veranderingen op Meerdervoort.

Het nieuwe Meerdervoort

Onder invloed van de franse ideeën betreffende tuinkunst (grootser en ruimer, hoge geschoren hagen, fraai bewerkte vazen, beeldden, fonteinen en exotische planten met vaak een allegorische verwijzing naar seizoenen of idealen) wordt het oude kasteel in 1723 afgebroken en verrijst een nieuw Huis, dat meer voldoet aan de nieuwe wensen. De woonetage komt verhoogd te liggen, waardoor een mooi uitzicht over de tuin wordt verkregen. Ook wordt de tuin vergroot.
Aldus bereikt de buitenplaats Meerdervoort een hoogtepunt van bijzondere allure en grandeur, maar ten koste van het eeuwenoude kasteel met zijn rijke geschiedenis. 
De schilder Nicolaas Verkolje schildert het gezin, dat inmiddels een dochtertje heeft, in 1724 voor het nieuwe Huis in een prachtige allegorische voorstelling.
Johan Diederik heeft een behoorlijke maatschappelijke status. Zo heeft hij divers bestuursfuncties, is hij dijkgraaf van de Zwijndrechtse Waard, ambachtsheer van het Cort-Ambacht en Hendrik Ido Ambacht, en burgemeester van Dordt. En natuurlijk is hij Heer van Meerdervoort. Ook is hij kunstzinnig. Hij blaast nieuw leven in de Dordtse Sint Lucasbroederschap, een vereniging van kunstminnaars. De bekende schilder Aart Schouman is daar ook lid van en maakt talloze tekeningen en schilderijen van het Huis en de omgeving.
In 1728 wordt een tweede dochter geboren, een jaar later een derde. Een zoon sterft op éénjarige leeftijd in 1727. Een tweede zoon sterft binnen enkele dagen in 1730.
In 1741 laat Johan Diederik een gedeelte gracht bij het Huis afdammen, teneinde de "communicatie met het gemeentlande waeter" te verhinderen en tevens de dijksloot langs de dijk tussen de twee dammen te onttrekken aan de jaarlijkse dijkschouw.
OP 24 januari 1749 overlijdt Johanna Alida; precies vijf maanden later volgt Johan Diederik. Twee dagen na zijn overlijden blijkt uit zijn testament dat hij een fatsoenlijke begrafenis, doch met de minste pracht, wil. Opmerkelijk voor iemand die zich tijdens zijn leven met zoveel grandeur, luxe en status omringde...

De jonkvrouwen van Meerdervoort

Uit het testament blijkt ook de andere zijde van de erflater: zeer godvruchtig en de zorg om zijn drie dochters. Of was het de zorg om zijn heerlijke Meerdervoort?..
Uiteraard worden de dochters universeel erfgenaam. De geërfde bezittingen moeten echter gemeenschappelijk en onverdeeld blijven. De zusters moeten in ieder geval zolang blijven samenwonen tot de jongste 25 jaar is. De bezittingen mogen ook niet worden gesplitst wanneer één van de zusters toch eerder wil trouwen. Overigens raadt pa trouwen sowieso af: de gezusters kunnen immers in onderlinge vriendschap en saamhorigheid met veel plezier samenwonen, terwijl daarentegen de "faciliteyten van het huwelijk seer wisselvallig syn".
Kort en goed: de drie dochters blijven hun leven lang ongehuwd en bewonen gezamenlijk Meerdervoort. Vanuit die positie vervullen ze jarenlang een actieve rol voor hun omgeving en de heerlijkheid waarvan zij ambachtsvrouwen zijn. In die rol betonen ze zich overigens ook godvruchtig en dringen ze bepaalde gebruiken op zondag terug, zoals werken, (ver)kopen, biertappen, kolven en kaatsen. En "´t misbruyken van des Heeren allerheyligsten naem". Maar dat mocht alle dagen niet.
De herbergier van "De Steenen Kamer" zal, mocht hij minder godvruchtig geweest zijn, niet gelukkig met de bepaling zijn geweest: hij was tevens veerschipper van "Het veer op den Mijl", en veel Dordtenaren kwamen via dit veer kolven op de kolfbaan van De Steenen Kamer, of kwamen wandelen rond de ridderlijke hofstede Meerdervoort en in de bosrijke omgeving van de Oude Maas.

In 1778 overlijdtdriana, deAdriana, de middelst, en, en drie jaar later Maria Christina, de oudste.. (Uit een acte inzake successierechten blijkt onder meer dat één van de huurdersan het landvan het land rondomede HofstedenthonyAnthony Vlasbloms,is, schepenanvan Hendrik Ido Ambacht en eigenaaranvan herbergeDe Swaan aan de Langewegn Zwijndrecht.in Zwijndrecht. Uit een andere acte (uit784), het testament van1784), het testament van Arnoldus van der Heijde, zoon van de in 1756 in Zwijndrecht, overleden predikant, is deze zelfde Anthonius Vlasblom, neef van de overledene, één van de erfgenamen. Dit even terzijde.) Christina Elisabeth sterftn 1805 en metin 1805 en met haar sterft de directe lijn vanaf Cornelis Pompe van Meerdervoort  (1639 - 1680) (de vader van Jacob en Michiel, welke zoon en dochter met elkaar trouwden).
Meerdervoort komt in handenanvan een nazaat van de twaalfdeoon (Abraham) vanzoon (Abraham) van Cornelis Pompe van Meerdervoort (1639 - 1680), eveneens een Abraham (Pieter Corneliszoon)) Pompe van Meerdervoort (1764 - 1831).

De finale

et is een ingewikkeld testament dat Meerdervoort uiteindelijk in handenan Abrahamvan Abraham speelt.. Voorop stond dat het landgoednin bezitan devan de familie zou blijven. De eerste gegadigde in het testament viel daardoor a:: hijaswas kinderloo. (Het was. (Het was. (Het was overigens zijn echtgenote, Johanna Onderwate, die, die, die testamentairethet zilveren avondmaalsservies legateerde aan de Oude Kerkn 1837). in 1837). 
Overigensad Abraham dehad Abraham de keusfof hijede nalatenschap voor een bepaald bedrag zou kopen danwel er van af zie,, waarna een derde neef in aanmerking zou komen (deze werd later burgemeesteran Leiden, envan Leiden, en zijn buitenplaat,, Berbice,, bestaat nog steeds). Een vierde gegadigde tenslotte was nogaarmaar eenalve "halve "Pompe": Pompeanvan Slingelan. (. (. (Mocht ook hij afzien van de erfenis,, dan zou de Heerlijkheidn hetin het openbaar verkocht worden aan de meest biedende.)
Abraham Pieter Corneliszoon Pompe van Meerdervoort betaalt 31.000,- gulden en verkrijgt daarvoor "de AmbagtsHeerlijkheid Meerdervoort, van ouds en conform de laatste verleybrief, het Kort-Ambagt geleegen in Zwijndrecht met den winde aldaar, en anders allen zijnen toebehooren (...).
- Een Huis, Schuur, Kolfbaan en buitendijcks Erf zijnde het Regthuis van Meerdervoort, van ouds genaamt de Steene Kamer met het veer van Meerdervoort op den Steenplaats, en een weidje liggende nevens de Meerdervoortse haven, mitsgaders een griendje daaraan volgende.
- Een buitenplaats vanouds Riddermatige Hofstede genaamt Meerdervoort met deszelfs Laanen, Boomgaarden, Boschjes en Moestuin, tesamen groot zes mergen en 244 roeden, gelegen in de Ambagt Heerlijkheid Meerdervoort met de Plantagie aan den Dijk. Zulks met Huizingen daarop staande en de Behangsels daarin en met al derzelven Broeijgereedschappen, Bakken, Raamen, Banken, Cieradien, Marmeren of steenen Beelden en Tuingereedschappen mitsgaders de niet weggemaakte schilderijen".

Dat laatste is een aardige toevoeging. Bekend is dat de schilderijen die rond 1652 door Aelbert Cuyp zijn geschilderd, in 1749, met onder meer andere schilderijen, tekeningen en boeken, na de dood van Johan Diederik zijn verkocht teneinde de "dootschulden als andersints" te betalen. Deze permissie was de drie gezusters dan wel geoorloofd in het testament. Het zet overigens wel wat vraagtekens bij het contante kapitaal van de familie te dien tijde.

Abraham ziet af van de tienden, diverse en op verschillende locaties (zoals de raap-en lammertienden, en de tienden van de wintergarst), welke worden verkocht, 25 in getal. De huiselijke inventaris wordt ook verkocht. De lijst geeft niet alleen een beeld van de "meubilaire goederen", maar ook van de mensen die ze kochten. Zo koopt Cornelis Vlasblom twintig wijnglazen. Is het de Cornelis van De Swaan en gaan de wijnglazen naar de herberg (zie Museum, het pand)? Ene vrouw Snethlage koopt onder meer een porselein theeservies; mogelijk de weduwe of schoondochter van de in 1781 overleden predikant van de Oude kerk W. Snethlage.
Tenslotte wordt in 1805 nog de Heerlijkheid Hendrik-Ido- en Schildmanskinderen-Ambacht verkocht aan Dirk Willem Nibbelink, schout en burgemeester van dit Ambacht. (Van 1811 tot 1830 is deze ook burgemeester van Meerdervoort.)

Abraham is onder meer bekend van het feit dat hij in 1795 werd gekozen tot lid van de "Nationale Vergadering", nadat de Fransen hier de Bataafse Republiek hadden uitgeroepen. In die roerige tijd werd via een districtenstelsel een "Nationale Vergadering" gekozen. Die kreeg als hoofdtaak het vaststellen van een nieuwe grondwet. Blijkbaar werd er meer gesproken dan gehandeld; in 1798 werd, met steun van de franse overheersers, een groot aantal afgevaardigden waaronder Abraham, naar huis gestuurd, waarna de nieuwe grondwet eenvoudig werd doorgedrukt.

Uit een plattegrond uit 1807 door de landmeter P. van Eck blijkt, dat er een tuin in de engelse landschapstuin aanwezig is op Meerdervoort. Mogelijk is Christina Elisabeth begonnen met deze tuin. Abraham blijft nog enige tijd nar de aankoop in Den Haag wonen, en laat regelmatig hoeveelheden bomen op Meerdervoort kappen en verkopen. Het gaat hierbij om grote aantallen: in 1805 al 269 Ypen Boomen, 24 Beuken Heggen en 6 Fruitbomen. In 1807 volgen 87 Essen Boomen, Tophout en Spaanders. In 1810 zo´n 210 Essen Stammen en 233 Ypen stammen, Tophout, Spaanders en Takken. Het lijkt wel het begin van het einde.
Dan, in 1827, wordt de Heerlijkheid in zijn totaliteit verkocht en Abraham verhuist vanuit Huize Meerdervoort naar Rotterdam. Openbaar verkocht zelfs. Een publieke aankondiging, een pamflet van zo´n anderhalve meter lengte waarop de hele Heerlijkheid gedetailleerd staat beschreven, kondigt deze verkoping aan. De veiling vindt plaats in herberg De Steenen Kamer op 31 mei ten overstaan van Dirk Willem Nibbelink, openbaar notaris te Hendrik-Ido-Ambacht. Koper wordt Hendrik Kuipers, koopman, wonende te Dordrecht.

Om het oordeel aangaande de teloorgang van Meerdervoort jegens Abraham Pompe van Meerdervoort niet te hard te laten uitvallen, is het wellicht goed eerst nog wat nader in te gaan op zijn leven.
In 1808 wordt hij hoogheemraad van de Zwijndrechtse Waard. De hoogheemraden vormden samen met de dijkgraaf het dijkcollege dat was belast met het toezicht op de dijk en vooral het onderhoud ervan. Kort na zijn aanstelling valt het besluit dat de dijk op sommige plekken moet worden verzwaard. Ook het stuk dijk bij de buitenplaats. Abraham maakt bezwaar, daar hij nog niet zo lang daarvoor, met goedkeuring van het dijkcollege, nieuwe bomen in de dijk had laten planten. Een verzwaring zou deze bomen tot waardeloos brandhout maken, en zouden de kosten van de bestrating in het water zijn gegooid. Verder acht hij de dijkverhoging zo fors dat geen sprake meer kan zijn van gewoon onderhoud, en kan dus niet op de particulier verhaald worden. Ook twijfelt hij aan de noodzaak. Tenslotte zou een dijkverhoging het gezicht op de rivier aantasten, terwijl het Huis oorspronkelijk gebouwd was om een gezicht over de rivier te hebben.
Abraham krijgt ongelijk, ook na een "hoger beroep" waarbij de minster van Binnenlandse Zaken uitspraak doet. Belangrijkste reden is dat de dijkverhoging dient om de dijk weer op het peil te krijgen zoals deze, volgens een peilsteen, in 1633 ook was. Wanneer de oorspronkelijk situatie in 1633 net zo hoog was als de voorgetelde hoogte thans, zou men in 1633 ook niet over de dijk hebben kunnen kijken. Aangaande de bomen: die bestaat uit jonge aanplant van populieren "ter dikte van hengelroeden, waarvan het stuk voor deze à drie stuivers te bekomen zijn".

In november 1818 overlijdt Abrahams jongste dochter op tienjarige leeftijd. Een maand later zijn oudste zoon, luitenant ter zee. In 1827 sterft zijn andere zoon, ongehuwd en kinderloos. In 1831, vier jaar na de verkoop van Meerdervoort, verwisselt Abraham zelf het tijdige met het eeuwige. In 1832 overlijdt zijn laatste dochter, eveneens zonder kinderen na te laten. Daarmee is de laatste tak van de familie Pompe van Meerdervoort die Meerdervoort bewoonde, uitgestorven.

De Pompe van Meerdervoorts mogen dan uit Zwijndrecht zijn verdwenen, landelijk blijven ze van invloed. Zelfs in het buitenland. Eén van hen, J.L.C. Pompe van Meerdervoort (1829-1908), werkt een aantal jaren in Japan en schrijft daarover een boek: "Vijf jaren in Japan (1857-1863). Bijdragen tot de kennis van het Japansche keizerrijk en zijne bevolking". Hij begeleidde in deze periode de ontwikkeling van een hospitaal op Decima.

De afbraak

Hendrik Kuipers bezit de heerlijkheid maar woont er niet. Hij overlijdt te Dordrecht, zijn woonplaats, in 1840 en zijn erfgenamen verkopen het geheel, wederom openbaar. 
De koper is de amsterdamse bankier Julius Bernhard Sichel, en hij betaalt Hfl. 41.500,-. Reeds in 1848 laat hij het Huis alsmede De Steenen Kamer afbreken. Het enige wat overblijft zijn het koetshuis en het monumentale toegangshek. Het koetshuis wordt wat later verbouwd tot twee woningen, waarna het geheel rond de eeuwwisseling alsnog wordt gesloopt.
Reden van deze smartelijke teloorgang? We weten het niet. Feit is dat sedert de handelingen van Johan Diederik in 1723, een ruime eeuw eerder, Meerdervoort weliswaar in korte tijd tot grote schittering is gekomen, maar vervolgens in duizelingwekkende vaart naar het einde is gesneld. Zonder zijn megalomane ingrijpen zou mogelijk het eeuwenoude kasteel vandaag de dag nog de trots van de Zwijndrechtse Waard zijn geweest. Maar ook dat blijft een gissing.

Over de rest kunnen we kort zijn. In 1902 koopt de gemeente Zwijndrecht de Ambachtsheerlijkheid Meerdervoort. Al spoedig krijgt het gebied een woningbouwbestemming.
Het hek, het laatste overblijfsel van de voormalige buitenplaats het Huis te Meerdervoort, staat tot 1920 op zijn plek. Het "zag" omstreeks 1917 hoe het eilandje, waar eens het bouwwerk stond waartoe hij toegang bood, het groene middelpunt werd van het tuindorp Meerdervoort dat werd gebouwd, grotendeels ten behoeve van de arbeiders die werkten in de nieuwe fabrieken aan de Lindtsedijk, met name de zeepfabriek van Simon van den Bergh en de oliefabriek van Anton Jurgens. Op het eiland verrijst een muziektent/tempel.
Dan, in 1920, laat Anton Jurgens het oude hek afbreken en als hoofdingang herplaatsen voor zijn fabriek aan de andere kant van de Lindtsedijk. Vanaf die plek "ziet" het hoe eind jaren dertig het tuindorp afgebroken moet worden vanwege de verzakkingen en het ongedierte. Omstreeks 1942 zijn reeds 193 woningen "herbouwd". In de jaren zestig verdwijnt het hek naar Schiedam als eigendom van een sloper. Daarmee verdwijnt het uit beeld.


Bronnen:   
De tuinen van Meerdervoort, door drs. C.L. van der Leer 
     (gepubliceerd in Zwijndrechtse wetenswaardigheden, 1994, blz. 41 t/m 96)
Het Eilandje Meerdervoort. Van ridderslot tot tuindorp, door Kees van der Leer
     Uitgave Gecombineerd Woningbeheer Zwijndrecht i.s.m. Historische Vereniging Zwijndrecht, 1999, ISBN 90-9013215-5
Gemeentearchief Zwijndrecht