uithangbord van Museum de Vergulde Swaen te ZwijndrechtDe Vergulde Swaen

Het Kanaal om Zwijndrecht
Zeventig jaar Deltawerken

Nederland is al eeuwenlang bekend om zijn waterbouwkundige werken. De bekendheid van waterbouwers bij het grote publiek is gering: zij zijn zelden volkshelden geworden. Leeghwater en Lely zijn waarschijnlijk de enigen die een zekere naamsbekendheid genieten. Onbekend is de droogmaker van de Haarlemmermeer, het monster dat Holland zolang bedreigde, vrijwel onbekend is de geestelijke vader van de Deltawerken, de reactie op de ramp van februari 1953. Het is dr. ir. Johan van Veen.

Het begon bij Dordt
De voorgeschiedenis van de Deltawerken was heel anders dan die van de Zuiderzeewerken. Er was nooit gedroomd over afsluiting van de grote zeegaten. Er was geen brede maatschappelijke discussie en bijgevolg ook geen vereniging, die zelf plannen liet opstellen. 
In 1929 werd een studiedienst voor de Zeearmen, Benedenrivieren en Kusten van Rijkswaterstaat gesticht, naar aanleiding van vragen omtrent de bevaarbaarheid der Westerschelde in verband met de Belgische Schelde-Rijnverbinding. Het vroeg onder meer inzicht in het zandtransport. Ook andere verbindingen vroegen de aandacht. De Dordtse Waterweg, die via de Oude Maas toegang gaf tot de nieuwe zeehaven van de stad, moest worden gemaakt; de Noord werd verdiept en verruimd.
Na enkele jaren had de dienst het doel van haar studies - scheepvaart - verloren. Ze studeerde echter verder en vergaarde grote kennis van getij, stroming en transport van sediment. Het eigenlijke doel werd nu het "verbeteren in het algemeen".
In 1934 werd overwogen de ca. 10.000 ha. van de Biesbosch in te polderen, voornamelijk aan de Brabantse wal, een werkverschaffingsproject. Dordrecht reageerde verontrust: zou het verdwijnen van een vloedkom de waterstanden bij de stad niet ontoelaatbaar verhogen? De studiedienst werd met de veiligheidsproblemen geconfronteerd. Het verhogende effect zou voor Dordrecht slechts 9 cm. zijn, maar de aandacht voor de Dordtse waterkeringen bracht in 1934 het schokkende besef dat deze veel te laag waren: anderhalve meter.

Dordrecht, oudste stad van Holland, dankte haar vroege bloei aan de scheepvaart. Ze was ontstaan aan weerszijden van het riviertje de Thuredriht bij de monding in de Merwede. Het stadsdeel ten westen van de Thuredriht, grotendeels de huidige Voorstraatshaven, is altijd onbedijkt geweest. De Voorstraat aan de oostzijde maakte deel uit van de dijk van de Grote Waard. Buitendijks bevinden zich de Grote Kerk en het stadhuis, vroeger Lakenhal. De dijk kreeg na de overstromingen van 1916 (stand 3,43 + NAP) een waterkerende hoogte van 3,25 m. boven NAP. Deze kon met vloedplanken worden verhoogd tot 3,60 m. Normaal hoogwater bereikte een stand van 1,35 m. boven NAP. De laagste delen van het onbeschermde, maar opgehoogde gebied kwamen bij een stand van circa 1,80 m. blank te staan. De laagstgelegen woningen, bijvoorbeeld aan de Hooikade, hadden daarom doorgaans een verhoogde begane grondvloer.
Een peil van 4,50 m. werd door de Studiedienst heel wel mogelijk geacht, uitgaande van een stormeffect van 3 m. De Voorstraat zelf kon als nauwe, intensief gebruikte winkelstraat nauwelijks opgehoogd worden. Een dijktracé meer westelijk was zeer moeilijk te realiseren.
De boodschap dat de dijken veel te laag waren, was niet buitengewoon welkom en werd in feite niet geaccepteerd, ja nadrukkelijk buiten de publiciteit gehouden. Het was de verdienste van Wemelsfelder, medewerker van de studiedienst, de veiligheidskwestie modelmatig te onderbouwen; hij gaf al in 1939 een beeld van de kansen op hoge vloeden. Een dankbaar argument dat gebruikt kon worden was de verzilting. Voor de tuinbouw op Voorne en in het Westland was geen zoet water genoeg. De afdamming van de Brielsche Maas zou Voorne aan het zoete water kunnen helpen. Van Veen kon dit argument goed gebruiken. Bij gebrek aan een calamiteit die de gemoederen wakker zou schudden, hanteerde hij noodgedwongen het argument van dreigende verzilting om in het zuidwesten te komen tot een goed functionerende waterhuishouding, hetgeen vanzelf inhield het verkorten van de kustlijn. Binnenskamers werd een reeks afsluitingsplannen voor de eilanden en waarden bij Rotterdam gemaakt. Het scheepvaartbelang van Dordrecht vormde daarbij een moeilijk te omzeilen probleem.

Met het oprichten van de ambtelijke Stormvloedcommissie in 1939 werd een stap vooruit gemaakt. Na ongeveer een jaar studie kwam men in augustus 1940, mede op basis van een rapport van Van Veen uit 1938 over het "watervrij" maken van Dordrecht, tot de conclusie dat inderdaad hoge stormvloeden te verwachten waren. Voor Dordrecht behoorde bij een overstromingskans van 1 op 500 in het jaar 2000 een waterpeil van 4,70 m + NAP, in 1940 4,32 + NAP. Geplande werkzaamheden, zoals afsluiting van de Brielse Maas, zouden voor Dordrecht een extra verhoging van 25 cm. veroorzaken.
Betreffende de veiligheidsmaatregelen vond de Commissie het nodig de kruinshoogten (van de dijken) op vele plaatsen met meer dan een meter te verhogen. "Te Dordrecht, Sliedrecht, Puttershoek, Alblasserdam ... is wegens bebouwing van den dijk een verhooging bezwaarlijk, zodat daar andere oplossingen zullen moeten worden gekozen. Overwogen zou kunnen worden de Hollandsche IJssel in haar benedenmond af te sluiten ... Voorts ook, of het aanbeveling verdient het Spui af te sluiten."

Wilde plannen
In oktober 1940 besprak Rijkswaterstaat vier plannen met B&W van Dordrecht. Men ging uit van een waterkering van 5,50 m boven NAP, 2,25 m hoger dan de bestaande. 
Plan A behelsde een dijkverhoging in de stad, waarbij grotendeels een nieuw tracé werd gevolgd, vanwege de onmogelijkheid de bestaande waterkering te verhogen. Om ruimte te besparen zou de kering hoofdzakelijk het karakter van een kistdam (aarde tussen keermuren) moeten krijgen, maar ook hiervoor zou flink gesloopt moeten worden. Een dergelijke muur met op- en afritten dwars door de stad charmeerde het stadsbestuur weinig, ook al zouden de Grote Kerk en stadhuis binnengedijkt worden. Van Veen concludeerde dat plan A onuitvoerbaar zou zijn.
De plannen B en C gingen uit van een nieuwe dijk op enige afstand van het waterfront in de Oude Maas en de Beneden Merwede, te voorzien van sluizen aan de noordoost- en zuidwestzijde. De Zwijndrechtse oever zou deels moeten worden afgegraven om de versmalling van de rivier ongedaan te maken. Een gedetailleerde beschouwing van de ingrepen in Zwijndrecht was opgesteld. Een tracé voor de dijk werd zorgvuldig gezocht, effecten op verbindingen, bedrijvigheid en bewoning beschreven. Meer dan 200 huizen zouden onteigend moeten worden. De kosten van het totale plan werden begroot op 5,9 miljoen.
Plan D behelsde een afdamming van de Oude Maas bij de bovenmond (Beneden Merwede en Noord) en bezuiden de stad. Een nieuwe rivier zou om Zwijndrecht heen gegraven moeten worden, wat een groot verlies aan tuinbouwgrond zou inhouden. De kosten van het project werden nauwkeurig gespecificeerd begroot op 19 miljoen.
Van Veen meende dat dit plan D te ingrijpend zou zijn om uitgevoerd te worden. Ook uit financiële overwegingen was het niet aan te bevelen. Rijkswaterstaat koos voor C, en wees D af wegens de hoge kosten. Dordrecht verklaarde bij monde van de burgemeester alleen D acceptabel te vinden. "Het eerste plan A, ... is practisch onuitvoerbaar en laat een groot gedeelte van de stad buiten de waterkeering. Bij de ... plannen B. en C. raakt Dordrecht zijn front aan de rivier kwijt ... Het karakter der stad zou verloren gaan".
Men kwam er niet uit.

De moeilijker wordende oorlogsomstandigheden maakten in 1944 een einde aan alle activiteit: op het water kon niet meer gewerkt worden.
In juni 1946 werd de draad weer opgepakt. Bij het Waterloopkundig Laboratorium kwam in 1948 een schaalmodel van de Delta beschikbaar. Daardoor kon men de complexe afsluitingsplannen beter bestuderen en beoordelen. Men onderzocht ook de staat van de waterkeringen in een aantal gebieden, bijvoorbeeld Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. De toestand bleek bedroevend, zowel qua dijkhoogte als qua staat van onderhoud. Tevens begon men te overwegen om het Haringvliet en het Volkerak af te sluiten: Goeree-Overflakkee kwam daarmee ook binnen de kering.
Eind 1952 verzocht de Minister om plannen die ook afsluitingen van het Brouwershavense Gat en de Oosterschelde omvatten. Het model van het Waterloopkundig Laboratorium moest ervoor worden uitgebreid.
Van Veen leverde op 29 januari 1953 een plan met twee varianten af.

De memorie van toelichting op de rijksbegroting van 1951 bevatte een uitvoerige beschouwing over de behoefte aan zoet water, waar de kwestie van de stormvloedhoogten doorheen geweven was. Afsluitingen van zeegaten werd primair gepresenteerd als noodzakelijk voor de vorming van zoetwaterreservoirs. Geld werd alleen uitgetrokken voor de voorbereiding van het werk aan de Hollandse IJssel.
De kwestie van de veiligheid, in de memorie van toelichting op geen enkele manier gekwantificeerd, leek nog steeds min of meer taboe te zijn. Herman Looman, Elzevierverslaggever, had eind 1952 een gesprek met Van Veen. Eind januari1993 meldde Elsevier: "Looman kreeg het artikel, waarin de slechte toestand van de dijken aan de kaak werd gesteld, niet langs de toenmalige hoofdredacteur De Keizer. Diens terechtwijzing aan de reporter: "Dit volk heeft vijf jaar onder de knoet van de moffen gezeten. We zijn net bezig de boel een beetje op te ruimen en nu kom jij ze vertellen dat ze ook nog gaan verzuipen"."

De ramp trof Nederland merkwaardig genoeg volledig onvoorbereid. 
Er was bijna twee decennia gediscussieerd, gestudeerd, ontworpen en verworpen. Daardoor was een geweldige deskundigheid ontwikkeld. De kwestie was eerst in ambtelijke kringen besproken, maar geleidelijk aan ook op de politieke agenda geplaatst. Het parlement was in algemene termen op de hoogte van het probleem.
Het was bepaald geen wonder, dat er nog maar weinig waterbouwkundige maatregelen waren genomen. Eerst was er de oorlog, daarna de wederopbouw, van acuut belang. 
Het was ongelofelijke pech, dat de voorziene hoge vloed al in 1953 kwam. De kans was getaxeerd op 1:500 tot 1:333. 

"Alhoewel in kringen van waterstaatkundigen de mogelijkheid van een dergelijk katastrofaal samengaan van natuurkrachten wel onder ogen was gezien, was toch eigenlijk niemand op een dergelijke ramp voorbereid... Pas heel laat in de avond en soms pas diep in de nacht werd het enkele mensen duidelijk, dat het water nu wel abnormaal hoog kwam. Autoriteiten werden gewaarschuwd. In vele gevallen ging men er pas op het laatst toe over de bewoners der dorpen te waarschuwen. (...) Terwijl dit alles nog aan de gang was, braken de dijken door. (...) Alle mogelijkheden van communicatie afgesneden. (...) Zo hebben vele bewoners van Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee dagenlang de grootste ontberingen moeten lijden voor zij naar veiliger plaatsen werden afgevoerd."


Onmiddellijk na de ramp werd het waarschuwings- en beveiligingsstelsel ingrijpend gewijzigd. Er werd op basis van bestaande organisaties een organisatie opgebouwd voor dijkverdediging, hulpverlening en evacuatie.
Gegeven de kennis dat de dijken te laag waren, was het ontbreken van dergelijke organisaties vóór de ramp een regelrechte schande. Het heeft honderden mensen het leven gekost en men kan het veelvoudig "dood door schuld" noemen.

"Deskundigen waren er voor de ramp al wel van overtuigd, dat de kruinhoogte op vele plaatsen in het Deltagebied te laag was. De waterstandverhoging was reeds bijna bereikt bij het aan de stormvloed voorafgaande laagwater. Hoewel het toen al lang donker was en deze abnormale verhoging slechts weinigen zal zijn opgevallen, had dit toch een reden kunnen zijn nog een gericht alarm te geven. Men zou er bijvoorbeeld aan gedacht kunnen hebben de komende nacht speciale verbindingen tussen de betrokken autoriteiten in te stellen. Maar wat wil men, het was laat op de zaterdag en iedereen was al naar huis; het zou zo´n vaart ook wel niet lopen." 
(Dhr. Ferguson, directeur Deltadienst jaren ´70)


De geraadpleegde literatuur, inclusief het werk van Van Veen, bevat geen enkele aanwijzing dat men voor 1953, als een eerste stap voor een betere beveiliging, een verbetering van stormwaarschuwing en hulpverlening heeft aanbevolen.
De Dordtse dijken waren niet bezweken, noch die van Zwijndrecht aan de overkant. Daardoor kon ook vanuit Zwijndrecht het eerste signaal komen dat zich een ramp voltrok. Niet alleen liepen buitendijkse, intensief gebruikte gebieden diep onder, het water liep ook over de dijken en veroorzaakte grote schade aan de dijk zelf en de bebouwing erop.
In Zwijndrecht waren er plaatsen waar door overlopend water aan de achterzijde een zodanige uitspoeling had plaatsgevonden, dat de dijk nog maar de helft van de oorspronkelijke breedte had. Het Verslag over de Stormvloed van 1953 meldt dat van de meeste dijken het binnenbeloop ernstig was beschadigd, terwijl het buitenbeloop meestal gaaf was gebleven. Het was het gevolg van grote aandacht voor golfaanval en verwaarlozing van overslag en overloop, omdat men uitging van voldoende hoogte. Het binnenbeloop van de dijken was doorgaans zo steil dat het afstromende water hoge snelheden bereikte en daardoor schade aanrichtte.
In 1953 hadden de dijken onvoldoende hoogte om het water te keren. De overstromingen namen een grote omvang aan doordat de dijken niet waren ontworpen op overstromend water en op veel plaatsen doorbraken.
De grote "mandrenke" (een Noordfries begrip) werd echter veroorzaakt doordat men de mensen niet gewaarschuwd had en geen samenhangende verdedigings- en hulpverleningsorganisatie opgebouwd had.

Dijkherstel
Regering en volk waren in één klap overtuigd van het probleem. De dijken waren simpelweg te laag en hadden aangetoonde gebreken. Na het eerste herstel werden vooruitlopend op verdergaande maatregelen plaatselijke knelpunten aangepakt. Kleinere inhammen werden afgedamd, overbodige sluizen en coupures gedicht, dijken plaatselijk verhoogd.
Bij de behandeling van de Deltawet was, afgezien van de kust, alleen sprake van dijkverhoging langs de Westerschelde, de Nieuwe Waterweg en, bij een open Oude Maas, langs de benedenloop van deze rivier. De praktijk was anders. Overal langs de benedenrivieren ontwikkelde men plannen voor verhoging en verbetering van dijken, omdat ze plaatselijk te laag waren en eigenlijk overal een gebrekkig profiel hadden, zoals een te steil binnenbeloop. De dijkverbetering, die Van Veen onuitvoerbaar had gehouden in de omgeving van Dordrecht, en die aanleiding was om aan afsluitingen te denken, werd uitgevoerd. In Zwijndrecht verdwenen zo alle woningen, die bij de oude plannen C en D hadden moeten verdwijnen. 
Men kan de stilzwijgende uitvoering van deze slooppartijen, die duizenden woningen hebben gekost, de belangrijkste blinde vlek in de besluitvorming over de Deltawerken noemen. De botheid waarmee door de waterschappen de dijkverbeteringen werden uitgevoerd, is ook het rijk als oppertoezichthouder en financier aan te wrijven.
Puttershoek, Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht werden zonder veel weerstand kaalgeslagen.

Het succes van het Deltaplan uit waterbouwkundig en veiligheidsoogpunt wordt nadrukkelijk overschaduwd door de meer dan 1800 doden. Die hadden deels voorkomen kunnen worden, als men niet in termen van overstromingskansen en waterwerken gedacht had, maar in termen van veiligheid: verdrinkingskans. Men verdrinkt niet door de overstroming, maar omdat men door het water verrast wordt. De waterstaat was gewaarschuwd, de mensen waren het niet.


Bronnen:
E. de Boer, 1994, Zestig jaar Deltawerken, Dordrecht als opening en sluitpost, blz. 197 - 210 in M.L. ten Horn-van Nispen e.a. (red.), Nederlandse ingenieurs en hun kunstwerken, Zutphen 1994
E. de Boer, "Ze hebben ze laten verzuipen" (artikel, 2002)
P. Slager, 1992, De ramp, een reconstructie, Goes.